Columns – Tandheelkundepraktijk Stadhouderskade – Amsterdam
Niet vullen, maar poetsen (en flossen)!

Columns

13.
Blij

Blij dat er tandartsketens zijn en heel blij dat deze ketens van superpraktijken altijd op zoek zijn naar praktijkhouders die tegen hun pensioen aan zitten om hun praktijk te kopen, maar matig blij dat ik dan wordt geconfronteerd met sluwe onderhandelaars die je blij als een boer met kiespijn maken, omdat ze je een poot willen uitdraaien. Wie blij wil zijn moet pijn lijden.

Wel weer blij dat ik daarna deel uitmaak van een professionele organisatie in plaats van de ik-doe-maar-wat onderneming die ik nu bestier en zelfs super blij dat ik bij verkoop van m’n tent me niet meer hoef bezig te houden met al die ’tandartsje pesten’ regels, die zelden nuttig zijn en waar je geheel niet blij van wordt.

Minder blij dat ik dan mijn eigen personeel niet meer kan aannemen en overgeleverd ben aan geschoolde managers die de blije sfeer in de praktijk niet als grootste prioriteit hebben, maar hopelijk wel weer blij om als ZZP-er aan de slag te gaan, want alleen maar blij zijn en niet de lasten, maar mag je dan nog wel de tandheelkunde uitoefenen waar je blij van wordt?

Geheel niet blij met de beloningsstructuur met een staffel die overtreatment in de hand werkt, maar wellicht toch weer blij zijn als het me ook lukt om goede vullingen voor mooiere te vervangen, waar ik iedere dag zo blij van wordt als ik op social-media kijk.

Blij ook met de tandarts-directeur die iedere dag alle x-foto’s naloopt of niemand iets gemist heeft om de omzet mee op te krikken, maar geheel niet blij als ik gedwongen wordt de Cerec gebruiken, omdat de ketenhouder daar blij van wordt, terwijl er een goedkoper, plastischer en blijer alternatief is. Wel weer blij als het me toch lukt om hoge omzetten te maken en daar blije schouderklopjes voor krijg en helemaal blij als mijn bankrekening er ook blij van wordt.

Misschien moet dit blije ei maar eerder met pensioen, zodat ik ook snel één van de vele blije onderdelen kan worden van een superieure tandartspraktijk, waar iedereen blij van wordt en z’n aandeelhouders nog wel het meest. Blij dat er tandartsketens zijn.

Jerry Baas

12.
Niet vullen, maar poetsen (en flossen)

De natuur nabootsen,
met boor en vulsel.

Een behandelaar of twee,
en gever en nemer.

Door glazuur en been,
eerst vies, dan schoon.

En klaar voor herstel,
een bloemkool of iets moois.

Gemakzuchtig of geestdriftig,
vullen of opbouwen.

Slijpen en boetseren,
in het hoofd of de vingers.

Een plaatje voor de volgers,
de natuur nagemaakt.

Mooier lukt niet,
perfectie in het verschiet.

De missie van mijn praktijk is dan wel, zoals duidelijk op de website vermeld; ‘niet vullen, maar poetsen (en flossen)’, maar eigenlijk vind ik het boren en vullen hartstikke leuk. Ik had er nooit over nagedacht, maar zelfs nu ik inmiddels duizenden vullingen heb gemaakt, zie ik er nooit tegenop en heb er vaak zelfs wel zin in. Blijkbaar is het weer bruikbaar maken van een gebitselement voor functie en esthetiek een bevredigend werkje en je krijgt er nog voor betaald ook! Niet dat ik nu opeens minder aandacht aan preventie ga geven, want dat is natuurlijk altijd het beste voor de patiënt (en dus ook voor de tandarts), maar als er patiënten zijn die al onze adviezen in de wind slaan, zodat er geboord moet worden, dan sta ik stiekem te juichen en pak ik met groot genoegen boor en vulsel, ga slijpen en boetseren met wellicht perfectie in het verschiet.

Jerry Baas

11.
Baas boven baas

Er zijn dus blijkbaar praktijken waar de ZZP-tandartsen en mondhygiënisten nog meer krijgen dan de 40% procent van de omzet die ik betaal?! En ik maar denken dat ik zo’n goeie baas ben voor mijn medewerkers, omdat ik ze zo rijkelijk beloon en dan ook nog alles voor ze organiseer. Blijkbaar niet dus.

Hier kwam ik laatst achter toen een mondhygiëniste, die in mijn praktijk werkt, vroeg om een (veel) hoger percentage dan wat ik mijn ZZP-ers gun. Ze kon ergens anders meer verdienen en dreigde met vertrek als ik haar niet meer ging betalen. Ik weigerde natuurlijk, want iemand die maar een klein onderdeel van de tandheelkunde uitoefent en daar dus veel ook korter voor studeert, verdient het natuurlijk niet om meer te verdienen dan haar tandarts-collega’s, die wel van alle markten thuis zijn.

Na wat rondvragen blijkt dat het echter helemaal niet ongebruikelijk is, dat de mondzorgkundigen soms een hoger percentage dan de tandartsen krijgen en aangezien hun omzet niet veel verschilt, verdienen ze dan dus meer dan hun veel hoger opgeleide verwijzers! Economisch gezien kan het misschien uit, aangezien preventiemedewerkers geen kostbare stoelassistentie gebruiken, maar behalve dat ik principieel tegen het hogere belonen van de lager opgeleide arbeidskrachten ben, is het ook niet nodig.

Mijn mondhygiëniste werkt namelijk nog steeds voor me, zelfs voor de ‘schamele’ 40% van de omzet, dus blijkbaar zijn er voor mijn medewerkers belangrijker redenen om voor een werkplek te kiezen. Het lijkt mij dan ook dat werkvreugde door intercollegiaal overleg, de nieuwste apparatuur, praktijkuitjes met karaoke, bowlen en bingo en vooral een goede sfeer in de praktijk vaak veel belangrijker is, dan iets meer verdienen in een praktijk met minder jolijt. Misschien is het een idee als de praktijkhouders elkaar voortaan hierop beconcurreren in plaats van op buitensporige financiële genoegdoeningen, want zelfs een armetierige 40% van de omzet zorgt nog steeds voor een goed belegde boterham voor de medewerker (in verkapt dienstverband) en dan houdt de baas, die alles regelt en de risico’s loopt, er ook nog iets aan over.

Jerry Baas

10.
Koketteren

Het lijkt wel of er steeds meer tandartsen koketteren met biologische tandheelkunde. Ze doen dat zo overtuigend en op een wijze die mij het gevoel geeft, dat als je niet iets extra’s aanbiedt dan de reguliere tandheelkunde, je niet de maximale zorg aan je patiënt biedt. Het wordt dus hoog tijd om me eens te verdiepen in wat de tandheelkunde nog meer te bieden heeft, dan wat er op de universiteiten wordt gedoceerd en wat er in de wetenschappelijke bladen wordt verkondigt, want mijn patiënten hebben ook recht op meer dan de standaard tandheelkundige zorg.

Om te beginnen zou ik tandpasta zonder fluoride aan mijn patiënten kunnen adviseren, aangezien fluoride een giftige stof is. Maar als je dan bedenkt dat alles, zelfs water, in bepaalde hoeveelheden giftig is en de dosering fluoride in tandpasta ruimschoots onder de kritische waarde is,  ga ik dit niet aanbevelen. Ook omdat ik het nuttig vind dat mijn patiënten met iets poetsen wat behalve water en zeep ook iets bevat met een anti-cariogene werking.

Ik begrijp dat er zelfs tandartsen zijn die voedingssupplementen voorschrijven aan hun patiënten, waarvan na kort onderzoek al snel blijkt, dat het voedingscentrum adviseert om hier terughoudend mee te zijn, aangezien dit bij een gevarieerd dieet zelden nodig is en zelfs schadelijk kan zijn. Schoenmaker, blijf bij je leest!

Tandpasta’s en mondspoeling met actieve zuurstof dan? Deze zijn vele malen duurder dan gewone mondzorgproducten en duur is vaak goed, maar in dit geval blijkt al snel dat er geen enkel bewijs is,  dat het ook maar iets beter werkt dan de gewone tandpasta’s. Daarbij is de mondzorg al duur genoeg zonder dit soort onnodige kosten.

Dan maar even echt op de alternatieve tour, want als je als tandarts met electro-acupunctuur de energiebanen gaat doormeten, heb je natuurlijk pas echt het beste voor met je patiënt! Het is alleen jammer dat de conclusie bijna altijd op voorhand al vast staat: veel lichamelijke klachten komen door  metalen in de mond, dus als alle amalgaam restauraties vervangen worden door composiet, dan voelt de patiënt zich weer helemaal pico bello. Helaas is de theorie achter deze meetmethode ook weer twijfelachtig en laat ik sowieso alle (amalgaam-)restauraties liever zolang mogelijk zitten, want ik weet wél zeker dat bij iedere keer als ik een vulling vervang er gezond tandweefsel verloren gaat en we weer een stapje dichter bij extractie zijn in de zogenaamde ‘circle of death’.

De digitale occlusie analyse dan, die zo high-tech is, dat we er waarschijnlijk daarom  nog maar weinig over horen uit de wetenschappelijke hoek. Een apparaat wat het ideale hulpmiddel is bij het  inslijpen of het verhogen van de beet in het geval van een ‘occlusitis’ om zo temperomandibulaire dysfunctie te behandelen. Dit klinkt als tandheelkunde van het allerhoogste niveau, maar helaas is het omgekeerde het geval en zijn de genoemde behandelingen inmiddels zelfs obsoleet, aangezien al enkele decennia bekend is dat er nauwelijks een relatie bestaat tussen occlusie en TMD. Daarbij bestaat de dure digitale occlusie meting ook alweer meer dan 20 jaar, waarbij het nog steeds niet gelukt is om te bewijzen dat dit zelfs maar beter werkt dan het  eenvoudige blauwe occlusiepapiertje, dus deze investering kan ik me ook besparen.

Tot dusver heeft mijn wandeling door het sprookjesbos van de biologische tandheelkunde me nog niet kunnen betoveren en begin ik toch langzaamaan te twijfelen of er buiten de reguliere tandheelkunde wel iets is waar de mondgezondheid van mijn patiënten echt bij gebaat is. Wat ik in ieder geval niet wil is koketteren met iets, waarvan niet bewezen is dat het ook echt werkt, want ik weet inmiddels: baadt het niet, dan schaadt het vaak wel!

Jerry Baas

9.
Volle zalen

Waarom nog duur met gedoe als het ook goedkoop en gemakkelijk kan? Sinds corona zijn  webinars en online scholing een goed alternatief gebleken voor de bij- en nascholing op locatie. Het is niet alleen een oplossing in tijden van een pandemie, maar het is ook een stuk overzichtelijker, aangezien een webinar zelden langer dan 1,5 uur duurt en een stuk goedkoper, want er hoeft geen zaaltje of kerk te worden afgehuurd. Daarnaast bespaar je tijd op de reis, registratie, smalltalk met collega’s, pauzes en de borrel met bitterballen. Daarbij is online scholing ook nog vrijwel altijd in de avonduren en hoeven er dus geen patiënten voor te worden afgebeld.

Er is dus geen enkele reden meer om als tandarts de deur uit te gaan om bij te blijven en dat blijkt ook wel, aangezien de laatste jaren de cursussen en congressen zich afspelen in veel kleinere zaaltjes dan vroeger en er ook regelmatig nascholing niet doorgaat wegens een gebrek aan belangstelling.

Een goede aanleiding om nog wél naar nascholing op locatie te gaan is voor een vaardigheidstraining, de zogenaamde  ‘hands-on’ cursus. Op sociale media is daar veel aandacht voor met mooie plaatjes en filmpjes. Hier is ook te zien dat je op sommige meerdaagse trainingen zelfs naast het knutselen op frasaco ook samen gaat sporten en mediteren. Praktijk- en levenslessen ineen dus.

Wil je vandaag de dag dus nog volle zalen trekken met een cursus of congres op locatie, lijkt het erop dat je echt wel iets meer te bieden moet hebben, dan een paar goede sprekers. Wat dat betreft had ik achteraf misschien beter niet een grote kerk in Amsterdam moeten afhuren op een koude vrijdag in maart voor een middagje bibberen en gruwelen bij plaatjes van mislukkingen in de mondzorg. Voor de geïnteresseerden die toch een kaartje willen kopen, wees gewaarschuwd: Duur met gedoe en na afloop een borrel met bitterballen.

Jerry Baas

8.
Alles of iets

Ooit vond ik alles niet genoeg. Toen ik het ambacht van tandarts na een jaar of 7 enigszins onder de knie begon te krijgen, vond ik het tijd om me te gaan toeleggen in een kleiner onderdeel van het vak. Specialiseren binnen het specialisme van de tandheelkunde dus.

Ik had niet echt een voorkeur voor een bepaalde richting, maar toen bleek dat de opleiding gnathologie maar 1 dag per week was, zodat ik nog voldoende dagen in mijn eigen praktijk kon werken, was de keuze snel gemaakt. Dat ik, net als de meeste tandartsen, maar bar weinig wist van  Temporo Mandibulaire Dysfunctie, was mooi meegenomen.

Na drie jaar gnathologie onder leiding van Michel Steenks en Anton de Wijer in Utrecht en na nog een half jaar pijnpoli met Boudewijn Stegenga in Groningen was ik wel uitgespecialiseerd en was het tijd om de opgedane kennis in de praktijk te brengen. Dat werd dus bijzondere tandheelkunde, het afvoerputje van de mondzorg, waar ik 2 dagen per week me kon focussen op de gnathologie patiënt.

Toen ging het mis. Na 3,5 jaar kennisverrijking in pijn in het kauwstelsel en alles wat daarmee te maken heeft, werd gnathologie in de dagelijkse praktijk een kunstje en na een jaar opbeetplaatjes maken en beetverhogingen met composiet ruilde ik dit slecht betaalde baantje weer in voor de algemene praktijk.

Hier werd gnathologie een klein onderdeel van de alledaagse praktijk, want zoveel TMD en slijtage patiënten zijn er nou ook weer niet, dus kon ik het weer afwisselen met alle andere vormen van het vak  en kreeg ik er weer plezier in. Blijkbaar is het vak in de volle breedte oefenen voor mij noodzakelijk om het leuk en interessant te blijven vinden.

Bij de grote groepspraktijken en dan bedoel ik niet de ‘echte’ verwijspraktijken met officieel gedifferentieerde tandartsen, maar de praktijken waar gewoon heel veel tandartsen werken, gebeurt juist het tegenovergestelde. Hier zijn namelijk steeds meer tandartsen, die zich juist toeleggen op een steeds kleiner onderdeel van het vak, waarbij het soms zelfs voorkomt dat sommige vakgenoten bijvoorbeeld alleen nog maar vullingen doen. Dit betekent dus dat in dergelijke praktijken de patiënt voor elk soort behandeling door een andere tandarts geholpen wordt. Deze tandartsen, die dus niets anders dan hun kunstje doen en er daardoor dus wel heel goed in worden, verrichten waarschijnlijk uitstekend werk. Het kan dus bijna niet anders dat de patiënten in dit soort praktijken beter geholpen worden, dan in de traditionele tandartspraktijken, zoals bij mij, waar de algemeen practicus alles zelf doet.

Maar is dat wel zo? De tandarts-specifiek practicus is dan wel heel goed in en weet veel over zijn onderdeel van het vak, maar is hierdoor direct ongeschikt om bijvoorbeeld een behandelplan op te stellen, waarbij alle behandelopties evenredig overwogen kunnen worden. In plaats van een tunnelvisie is er dan namelijk een ‘helicopterview’ nodig om en wie kan dat beter dan de huis, tuin en keuken tandarts met kennis van het gehele vakgebied. Het is natuurlijk wel fijn dat er collega’s zijn die zich beperkt hebben tot één kunstje, want als je er dan als algemeen practicus niet uitkomt, dan kun je alsnog hun hulp inroepen.

In de praktijk blijkt echter dat als je een beetje handig bent, je altijd voldoende aan bijscholing hebt gedaan en geleerd hebt van al je fouten, je als ervaren tandarts maar zelden een patiënt hoeft door te verwijzen. De verwijspraktijken zouden dus alleen voor de echt ingewikkelde behandelingen moeten zijn en de trend van de tandartsen die maar één onderdeel van het vak beheersen is wat mij betreft onnodig,  ongewenst en uiteindelijk slecht voor de patiënt. Daarbij is het ook veel leuker om alles in plaats van iets te doen.

Jerry Baas

7.
Happy end

Je leert het meest van je eigen fouten, maar het is nog beter om van andermans fouten te leren.

Misschien dat ik daarom het boek ‘Leerzame mislukkingen in de tandheelkundige praktijk’ van de praktijkhouder kreeg waar ik vlak na m’n afstuderen waarnam. Aan dit boek uit 1995 werkten veel vooraanstaande tandartsen uit die tijd mee, de meeste waren verbonden aan een Nederlandse of Belgische faculteit en het resultaat is nog steeds een goed overzicht wat er mis kan gaan (en hoe dit te voorkomen) in de verschillende tandheelkunde disciplines. De inhoud van het boek is voor het grootste deel nog steeds actueel, al kan het door nieuwe technieken en regelgeving wel een update gebruiken. Eigenlijk vind ik het raar dat één van de meest leerzame Nederlandstalige tandheelkundige boeken die ik ooit gelezen heb en die mij geholpen heeft om zeker enkele fouten niet te maken, nooit een vervolg heeft gekregen. Was de oplage niet groot genoeg, omdat het, gek genoeg, geen verplichte lesstof was tijdens de opleiding of lezen tandarts nou eenmaal liever niet over behandelingen waarbij een ‘happy end’ niet gegarandeerd is?

Ook op cursussen en congressen zijn er slechts succesverhalen. Regelmatig heb ik me afgevraagd, als ik weer bij een lezing van bijvoorbeeld een endodontoloog zat, die alle afgebroken vijlen kon verwijderen en waarbij alle apicale zwartingen na de herbehandeling altijd verdwenen of als ik een cursus deed over totale gebitsrehabilitaties, waarbij er zoveel fout kan gaan en alles altijd goed ging, wat ik nou eigenlijk geleerd had? Als je zelf namelijk begint aan iets wat je nog nooit eerder gedaan hebt, dan gaat niet altijd alles direct goed en dan moet je zelf maar bedenken hoe je het gaat oplossen. Leren van andermans fouten geeft je dan een voorsprong om problemen tot een goed einde te brengen.

Wat mij betreft is het dus tijd voor nascholing over mislukkingen in de mondzorg. Geconfronteerd worden met fouten die je misschien zelf ook wel eens hebt gemaakt en waar je natuurlijk liever niet meer aan herinnerd wordt, kunnen in plaats van ergernissen, dan juist eyeopeners zijn, omdat er ook panklare oplossingen worden aangedragen. Gruwelen om te kunnen gloriëren.

Sprekers voor een dergelijk congres zijn er ook voldoende, want alle tandartsen maken fouten, al

moet je natuurlijk wel sterk in je schoenen staan om dit met een groot publiek te delen. Net als de vele tandartsen deden die toentertijd meewerkten aan het boek over de leerzame mislukkingen, die bovendien ook een hernieuwde uitgave verdient.

Hoe meer we namelijk als beroepsgroep geconfronteerd worden met wat er allemaal mis kan gaan, hoe kleiner de kans dat je zelf nog dezelfde fouten maakt. Leren van andermans fouten is tenslotte altijd beter dan leren van je eigen fouten.

Jerry Baas

6.
Veinzen

Competent: geschikt voor het uitoefenen van een functie. Iemand die beschikt over alle competenties die in een functie vereist worden. In staat om kennis, houding en vaardigheden zodanig te combineren dat het leidt tot succesvol optreden in een bepaalde functie.

Volgens ACTA kun je in 5 jaar onmogelijk een competente tandarts opleiden. Dit was één van hun argumenten dat het onwenselijk is dat de 6-jarige opleiding met een jaar zou kunnen worden ingekort. De overheid had namelijk het plan opgevat om op deze manier geld te besparen om zo 50 studenten per jaar extra te kunnen laten beginnen aan de opleiding tandheelkunde. De overheid wil dus best wel wat aan het tandartstekort doen, maar dat mag geen geld kosten.

Competent gedrag. Deze definitie is te omschrijven als ‘een in gedrag waarneembare combinatie van kennis, vaardigheden, houding en/of persoonskenmerken (persoonlijke kwaliteiten) waarmee in een arbeidssituatie bepaalde doelen worden bereikt’.

Zelf ben ik lang geleden op ACTA wel in 5 jaar (plus 2,5 jaar extra voor ‘extracurriculaire activiteiten’) opgeleid tot tandarts. Volgens de definitie was ik direct na m’n afstuderen nog (lang) geen competente tandarts, maar ik had wel genoeg zelfvertrouwen om dit te veinzen en om me dus competent te gedragen. Ik had namelijk, ondanks de studie van slechts 5 jaar, voldoende patiënten behandeld en de meeste gangbare tandheelkundige verrichtingen vaak genoeg gedaan om genoeg zelfvertrouwen te hebben te kunnen functioneren in de algemene praktijk.

Onder het begrip ‘beroepsopleiding’ verstaan wij onderwijs dat rechtstreeks opleidt voor een specifiek vak of beroep. Ook onderwijs om vakkennis te verwerven of op peil te houden valt hieronder.

Hoe zou dat tegenwoordig zijn, nu er al jaren een groot patiënten tekort is op ACTA (eenvoudig op te lossen door de behandelingen weer gratis te maken)? Deze studenten zijn na hun afstuderen, ondanks de 6-jarige beroepsopleiding, behalve incompetent, want je bent in mijn ogen pas een competente tandarts als je minimaal enkele jaren (in mijn geval was dat zeker 10 jaar) ervaring hebt opgedaan in de algemene praktijk, zelfs onvoldoende voorbereid op de praktijk om zich zelfs maar competent te kunnen gedragen. Dan zit er niets anders op, dan het onderwijs waarvan je verstoken was tijdens de ‘beroepsopleiding’ (met een wetenschappelijk sausje) in te halen met bij- en nascholing. Geen wonder dat er zoveel aanbod is van hands-on cursussen. Paniekvoetbal om maar zo snel  mogelijk (hand)vaardigheden op te doen om competent gedrag te kunnen tonen in de praktijk. Of dit in ieder geval te kunnen veinzen.

Jerry Baas

5.
Tekort

Over het tandartsentekort wordt moord en brand geschreeuwd in tandartsenland, maar is er eigenlijk wel een tekort aan tandartsen of zijn er misschien wel te weinig praktijkhouders?

In het grootste deel van het land zijn er voldoende tandartsen, maar alleen in enkele provincies waar mensen toevallig graag op vakantie gaan, willen tandartsen blijkbaar liever niet wonen en werken. En daarmee bedoel ik: niet meer willen wonen en werken, want er waren tot voor kort voldoende tandartsen in onder andere Zeeland en Drenthe, maar de praktijkhouders kunnen geen opvolgers meer vinden. Zelfs de tandartsketens hebben weinig belangstelling om daar tandartspraktijken over te nemen, ondanks het zicht op overvolle praktijken met een megaomzet, omdat ook zij moeite hebben om er tandartsen naartoe te krijgen. Je zou zeggen dat de ketens, die al jaren geleden slim hadden ingespeeld op het dreigende tandartstekort door veel tandartsen uit het buitenland te halen, dit probleem niet zouden hebben, maar blijkbaar hebben zelfs de import-tandartsen al een voorkeur waar ze willen wonen en werken

Ik begreep van iemand van een grote tandartsketen dat net afgestudeerde tandartsen, die ervoor kiezen om als ZZP-er aan het werk te gaan, hun werkplek vooral laten afhangen van waar hun partner een baan vindt en dat is meestal in de Randstad of in Brabant. Ook is het zo dat tegenwoordig nog maar weinig tandartsen na de studie de ambitie hebben om praktijkhouder te worden, want als ZZP-er aan de slag gaan in een praktijk waar alles voor je geregeld is en je dus enkel met het vak kan bezig houden, is blijkbaar het ideaalbeeld van de net afgestudeerde tandarts.

Het tekort aan tandartsen is dus ook een tekort van tandartsen. Wellicht een tekort aan ambitie, durf en verantwoordelijkheid. Dat je na je afstuderen eerst een aantal jaren in verschillende praktijken gaat waarnemen is niet meer dan logisch en zelfs aan te raden, maar daarna wil je toch een eigen praktijk? Tenminste, voordat alles op de rails staat en je echt geld gaat verdienen, ben je een aantal stressvolle jaren met weinig vrije tijd verder, maar daarna heb je wel die praktijk die je hebt ingericht zoals je zelf wilt, met medewerkers die je zelf hebt aangenomen, met patiënten die speciaal voor jou komen en doe je tandheelkunde zoals je zelf wilt, zonder de druk van een praktijkhouder of tandartsdirecteur, die wellicht iets van je verlangt, waar je eigenlijk niet achter staat. Je eigen praktijk dus, waar je met recht trots op kan zijn, je vrijheid geeft en, als je het goed aanpakt, (veel) meer oplevert dan als je als ZZP-er zou verdienen.

Daarbij zijn er voldoende praktijken om over te nemen in mooie gebieden waar je zelfs graag op vakantie zou gaan en door een dergelijke ‘opoffering’ te doen, zou je vele patiënten kunnen helpen, die anders verstoken zouden zijn van tandheelkundige zorg en zo meehelpen om het probleem van het tandartstekort op te lossen. Eigenlijk doet iedere tandarts zonder eigen praktijk zichzelf tekort.

Jerry Baas

4.
Bloemkolen

Ik maak hele grote bloemkolen. Althans, als ik ze vergelijk met al die mooie composiet restaraties met knobbels en fissurrtjes die ik op social media voorbij zie komen. Die kiezen zien er met vulling weer uit alsof ze nog gaaf zijn. Die van mij voldoen misschien wel aan de basisvoorwaarden van een goede vulling, zoals aansluiting, contactpunt en occlusie en articulatie, maar het is wel heel duidelijk dat iemand een slechte poging heeft om moeder natuur na te maken. Een bloemkool dus. We hebben het dan welteverstaan over alles achter het front, want als het gaat om de voortanden, die zichtbaar zijn bij het lachen, dan is het ook een visitekaartje van de praktijk en dan is het naturlijk wel van groot belang om met opaque en translucente composieten van verschillende kleuren in laagjes de tand weer op een tand te doen lijken.

Maar de in de zijdelingse delen maak ik gewoon functionele vullingen. Bijna standaard in 1 kleur (A3), knobbeloverkappend als dat moet en altijd probeer ik een goed contactpunt en de juiste occlusie en articulatie te krijgen. Het probleem is dat een dergelijke zeer acceptabele vulling er dan nog steeds als een bloemkool uit kan zijn, maar gelukkig kraait daar geen haan naar. Het enige wat jammer is, als ik dat al zou willen en er ijdel genoeg voor was, is dat ik er niet mee kan prijken op social media met mooie voor en na foto’s, met onder het bericht vele duimpjes en complimenten. Het enige wat wel vaak jammer is van deze berichten, dat de ‘voor’ foto’s vaak nog acceptabele vullingen laten zien, die misschien nog wel jaren hadden meegekund. Blijkbaar zijn tandheelkundige kunstenaars ook vaak overbehandelaars en zouden ze misschien wat meer tijd moeten steken in noodzakelijke behandelingen (want er is toch een tandartstentekort?) in plaats van in die ijdeltuiterij.

Iedere tandarts vind het het natuurlijk fantastisch om te kijken naar foto’s van composiet restauraties van kunstenaars die het echt kunnen, maar dan graag voortaan wel met bewijs dat er ook een noodzaak was voor de behandeling. Technodontie op niks af is in deze tijd van een tekort aan tandartsen niet goed te praten. Dan heb ik liever grote bloemkolen.

Jerry Baas

3.
Kiezen of vliegen

Amputeren wegens geldgebrek. Een tand of kies trekken, niet om een medische reden, maar om een financiële. Dit komt helaas te vaak voor in de praktijk en wellicht steeds vaker, want alles wordt duurder en voor een aanzienlijk deel van de bevolking betekent dit dat er keuzes gemaakt moeten worden: wel die IPhone 14, maar niet die brug of dat implantaat om het hiaat op te vullen, maar vaker: wel de huur en energierekening betalen en dan geen geld meer hebben voor de wortelkanaalbehandeling, die de tand of kies had kunnen redden.

Tanden en kiezen trekken is eigenlijk één van mijn favoriete tandheelkundige handelingen, waarschijnlijk omdat het soms moeilijk is en dat het dan toch vaak lukt of misschien omdat ik me dan eventjes een kaakchirurg waan; de koningen van de tandheelkunde. Extraheren, omdat de patiënt geen geld heeft om de kies te redden voelt echter niet goed.

In een beschaafd land wat Nederland toch pretendeert te zijn, zou het amputeren van minder gezonde maar nog te behandelen gebitselementen niet hoeven te gebeuren. In een rijk land als waarin wij wonen zou onnodig leed altijd voorkomen moeten worden.

Initiatieven zoals de tandartsen van Dokters van de Wereld die gratis dak en thuislozen behandelen is natuurlijk fantastisch, maar een druppel op een gloeiende plaat. En er is een veel grotere groep onder de bevolking die voor essentiële tandheelkunde, het behandelen van cariës en ontstekingen (het vroegere saneren), eigenlijk geen geld meer heeft.

Er gaat slechts een zeer klein deel van het zorgbudget naar de mondzorg en als de politiek voor de kiesgerechtigden de juiste keuzes willen maken, zouden ze bijvoorbeeld eens wat kunnen schuiven in de subsidiestromen. Niet 3,5 miljard euro per jaar naar de vervuilende lucht- en scheepvaart, maar dat in de tandheelkunde stoppen door extra opleidingsplaatsen, de behandelingen op de universiteiten, op de techniekkosten na, weer gratis te maken en door de tandzorg van de minima uit de basisverzekering te betalen. Het vliegen zal hierdoor wel iets duurder worden, maar zonder kiezen is het moeilijk kauwen in dat all-in resort in Turkije.

Jerry Baas

2.
Patiëntje pesten

Een week of twee geleden kwam ik op onaangename manier in aanvaring met mijn vrouw. Dat gebeurt wel eens vaker, maar deze keer was het nogal publiekelijk; ze reageerde namelijk op één van mijn linkedin posts waarin ik een patiënt die een hele lelijke één sterren review over de praktijk had geschreven, van repliek diende. Wij hadden tot dan toe deze patiënt altijd uitstekend geholpen, maar  de man ging vreselijk tekeer op Google reviews omdat hij ons in de lunchpauze telefonisch niet had kunnen bereiken. Ik vond deze recensie natuurlijk zeer onterecht, want we zijn namelijk op werkdagen, behalve dan tijdens de pauze, vanaf 8 uur ’s ochtends tot maar liefst  9 uur ’s avonds bereikbaar. Hij had ons dus best op een ander tijdstip kunnen terugbellen. Mijn vrouw was het daar helemaal niet mee eens en liet dat blijken in een reactie op mijn LinkedIn bericht, dus ten overstaan van al mijn 700+ volgers. Ik was ‘not amused’! Ze gaf aan dat wij als tandartspraktijk maar eens naar ons zelf moesten kijken, want in het bedrijfsleven wordt de telefoon wel altijd gewoon opgenomen, pauze of geen pauze, want dat heet klantvriendelijk te zijn. Ze bood thuis haar excuses aan voor de wilde actie, maar inhoudelijk begon er bij mij  toch wat te knagen.

De zorg en dus ook de tandartspraktijken staan namelijk algemeen bekend om het gebrek aan klantvriendelijkheid door onder andere de wachtlijsten, het lange wachten in de wachtkamer en de beperkte tijden dat ze telefonisch bereikbaar zijn. Komt dit door de arrogantie van de zorg, is het patiëntje pesten of is een blinde vlek, omdat er nog nooit vanuit de patiënt is gedacht? Voor de tandartsen die vinden dat zij zo goed zijn dat de patiënt blij mag zijn dat hij bij hem (narcisten zijn bijna altijd mannelijk) terecht kan, geldt het eerste argument, maar meestal is het laatste argument van toepassing en zijn ze er niet aan gewend om vanuit de patiënt te denken. Als iedere zorgorganisatie dat nou eens gaat doen en analyseren wat er in hun specifieke geval klantvriendelijker kan en hoe dat te bereiken? De meeste tandartspraktijken nemen bijvoorbeeld, net als wij, de telefoon niet op in de pauze. Andere praktijken zijn zelfs maar een paar uur per dag telefonisch bereikbaar en ook op communicatiegebied per e-mail of per digitaal afsprakensysteem is er nog veel te winnen. Dit zijn slechts enkele punten die gemakkelijk veranderd kunnen worden om je praktijk een beetje meer klantvriendelijker te maken als je dat tenminste wilt. Een tevreden patiënt is namelijk gratis reclame voor je praktijk: mond op mond of door een positieve recensie.

Bij mij was het digitaal aan de schandpaal genageld worden door mijn eigen vrouw een extra reden om wat veranderingen door te voeren in de praktijk. Het patiëntje pesten gebeurt voortaan bij ons alleen nog maar in de behandelstoel en alleen als we echt niet kunnen voorkomen dat de behandeling stress- en pijnvrij verloopt. Waar een ruzie met je vrouw al niet goed voor kan zijn.

Jerry Baas

1.
Believers

‘Mensen die zich snel aangevallen voelen hebben meestal weinig zelfvertrouwen’, las ik ergens. Dat deed me denk aan een e-mailwisseling die ik had met de hoofdredacteur van het blaadje van de Nederlandse vereniging van Bio-energetische tandheelkunde (NVBT). Ik had wat vragen over de verschillen van deze club met de reguliere tandarts en hoe ze daarbij kwamen, dus waarom ze afwijken van wat we leren op de universiteit. Het was in mijn ogen een vriendelijke uitwisseling van inzichten, waarbij ik ook de uitspraken van de grote tegenstander van de Bio-energetische tandartsen erbij haalde, de Vereniging tegen de kwakzalverij.

De mailwisseling was om informatie te verzamelen om te gebruiken voor een artikel over bewezen en (nog) onbewezen vormen van tandheelkunde. Ik schrijf expres (nog) onbewezen vormen van tandheelkunde, want iedere behandelwijze in de genees- of tandheelkunde is ooit begonnen, zonder dat daar (al voldoende) bewijs voor was. Alternatieve geneeskunde krijgt van mij dus altijd een kans, maar als van een behandelmethode na een lange tijd nog steeds niet aangetoond is dat het bewezen effectief is, dan moet je er afstand van nemen.

Het probleem bij de NVBT en andere clubs van alternatieve geneeswijzen is dat ze vaak krampachtig blijven vasthouden aan behandelingen die steeds meer obscuur worden door het uitblijven van onderbouwing. Het gevolg is dan vaak dat er nog een klein clubje ‘believers’ overblijft tegenover de ‘grote boze buitenwereld’ van de reguliere geneeswijzen. Een knauw in je zelfvertrouwen is dan niet ver weg.

De mailwisseling werd, zonder mijn toestemming, integraal afgedrukt in het NVBT blaadje ’tandheelkunde en gezondheid’, waarbij de geachte hoofdredacteur niet kon nalaten mij te beschuldigen van vooroordelen en dat ik zelfs indirect sympathie toonde jegens de club tegen de kwakzalverij. Mensen die zich snel aangevallen voelen hebben meestal weinig zelfvertrouwen.

Jerry Baas