De angst regeert
Alles wat ik maak gaat stuk. Dat is nou eenmaal het lot van de tandarts. Door schade en schande wijs geworden. Het is ook mijn antwoord als een patiënt vraagt hoe lang iets meegaat: ‘Alles wat ik maak gaat stuk, maar dit werkstuk zou het toch wel minimaal x jaar moeten volhouden.’ Dat dan weer wel.
Deze wijsheid propageer ik pas sinds kort. Blijkbaar had ik pas na meer dan 25 jaar knutselen in de mond door, dat alles wat ik maak, uitstel van executie is. Altijd komt het moment dat de kies die ik ‘gemaakt’ heb, niet meer te redden is en dan is het fijn als dat voor de patiënt niet als een verrassing komt. Dan is deze alvast voorbereid op het ergste. De aftakeling van de mens begint niet zelden in de mond.
Nu ik me eindelijk realiseer, dat ik niet meer ben dan een goed opgeleide en zeer ervaren tandenprutser, ben ik nóg terughoudender geworden in het indiceren van behandelingen, dan ik al was. Ver voor het inzicht ‘a crown is a crime’, was ik eind jaren negentig namelijk al hevig beïnvloed door Peter van Amerongen, die toen propageerde om alle restauraties zo lang mogelijk te laten zitten. Dat zou de levensduur van de gebitselementen bevorderen en ik kom inderdaad nog regelmatig gebitselementen in de mond tegen, die 40 a 50 jaar geleden ooit eens zijn gerestaureerd met amalgaam of goud en daarna nooit meer. Het resultaat van goede tandheelkunde die in ere werd gehouden, zonder dat een collega, die vond dat hij het allemaal veel beter kon, er met z’n tengels heeft aangezeten. Hoogmoed komt voor de val.
De theorie was, dat hoe vaker je ergens de boor inzet, hoe meer gezond tandweefsel er verloren gaat, hoe zwakker het gebitselement wordt. Dit was exact het tegenovergestelde, wat ik in mijn studie geleerd had. Ik studeerde in de laatste jaren van het amalgaam tijdperk, waar ‘extension for prevention’ gold. Maximaal invasief dus. Daarnaast werd iedere restauratie bij de minste of geringste afwijking opnieuw gedaan en alles van meer dan 2 vlakken werd een kroon. Op weg naar het einde.
‘Als je maar goed poetst en stookt en naar de mondhygiëniste gaat, heb ik weinig te doen’, is een andere wijsheid waar ik mijn patiënten regelmatig mee om de oren sla. De kracht zit hem in de herhaling, dus daar maak ik tot vervelens toe gebruik van. Mijn patiënten zullen me herinneren als die zeur achter dat mondmasker, die keer op keer je duidelijk maakte, dat de staat van je gebit je eigen verantwoordelijkheid is en dat je onze adviezen maar beter kan opvolgen, want anders komt er een moment dat ik iets moet maken wat toch weer stuk gaat. De angst regeert in mijn praktijk.
Jerry Baas